• Algemene afbeelding 1
  • Algemene afbeelding 2
  • Algemene afbeelding 3
Rietveldbuurt

Elizabeth van Dis

Introductie

In dit gedeelte van het jaarverslag neem ik u graag mee naar de Rietveldbuurt in Hoograven. Een buurt waar ik in januari 2015 als buurtpastor ben komen werken. Het afgelopen jaar is er veel veranderd in de buurt. 119 woningen van woningbouwcoöperatie Bo-Ex hebben een grootonderhoudsbeurt gekregen. Hoewel de meeste mensen blij waren, dat er na al die jaren iets ging gebeuren aan hun vaak tochtige woningen met gedateerde voorzieningen, was het voor veel bewoners ingrijpender dan zij zich vooraf realiseerden. Woningbouwcoöperatie Bo-Ex had al het vermoeden dat buurtbewoners extra ondersteuning konden gebruiken en heeft daarom een overeenkomst gesloten met Stichting Buurtpastoraat Utrecht. Toen het onderhoudsproject in januari 2015 van start ging, ben ik als buurtpastor in de wijk komen werken. Ik ben 28,5 uur per week aan het werk, waarvan 23 uur voor Bo-Ex in de Rietveldbuurt en 5,5 overhead uren voor Stichting Buurtpastoraat. Ik doe mijn werk vanuit de presentiebenadering. Concreet betekent dit dat ik aansluit op de leefwereld van de buurtbewoners van de Rietveldbuurt, om me vervolgens op hen af te stemmen en een (professionele) relatie met hen op te bouwen. Pas vanuit die relatie kan ik iets voor hen betekenen. Afgelopen jaar heb ik geïnvesteerd in relaties met buurtbewoners, ongeacht hun achtergrond, levensinvulling, problemen of successen en heb ik hen ondersteund in zaken die voor hen van belang waren. Soms ging dit expliciet om zaken die met het grootonderhoud te maken hadden, voor anderen stonden er hele andere dingen op het spel. In dit jaarverslag wil ik u daar graag verder over informeren.

Ten eerste zal ik beschrijven hoe het was om aan een nieuwe functie als buurtpastor te beginnen en beschrijf ik mijn eerste ervaringen in de Rietveldbuurt. Ten tweede wil ik graag de cijfermatige kant belichten en u informeren over het aantal bezochte huishoudens en de achtergrond daarvan. Ten derde wil ik met u delen hoe het proces van het grootonderhoud verliep en wat mijn rol was in de ondersteuning van de buurtbewoners. Ten vierde wil ik u laten zien dat er achter de voordeuren vaak veel meer speelt dan alleen de stress rondom het grootonderhoud en licht ik toe op welke wijze ik buurtbewoners in andere zaken kon ondersteunen. Tot slot wil ik u iets vertellen over verschillende samenwerkingspartijen met wie ik samenwerkte ten behoeve van de buurtbewoners. Deze vijf onderdelen beschrijf ik aan de linkerzijde van dit jaarverslag. Aan de rechterkant heb ik geanonimiseerde verhalen uit de buurt opgenomen, die de feiten van de linkerzijde ondersteunen en u een beeld geven van de alledaagse praktijk van mijn werk.

Exposure in de Rietveldbuurt

Toen ik in januari als buurtpastor in de Rietveldbuurt begon, had ik nog geen idee wat mij precies te wachten stond. Ik had geen werkervaring in het pastoraat en had tijdens mijn studie religiewetenschappen alleen op theoretisch vlak kennisgemaakt met de presentiebenadering en het buurtpastoraat. Het was daarom erg fijn dat mijn collega, Heleen Heidinga, mij zorgvuldig heeft ingewerkt.

Het was voor mijn werk van groot belang dat ik de buurt en de bewoners leerde kennen. Ik wilde graag weten wie de buurtbewoners waren, hoe zij leefden en wat hen bezighield. Om dit te ontdekken was het belangrijk om me onder te dompelen in hun leefwereld. In presentietermen wordt dit een exposure (letterlijk: blootstelling) genoemd. Concreet betekende dit, dat ik vanaf de straat de buurt leerde kennen. Ik was veel buiten, bekeek de buurt, observeerde de mensen en maakte her en der een praatje. Ik begon langzamerhand meer zicht te krijgen op centrale plaatsen in de buurt, zoals de hangplekken voor jongeren, speelplekjes voor kinderen en de Marokkaanse groenteman. De dagen duurden in mijn beleving best lang, omdat ik veel tijd buiten doorbracht zonder veel mensen te spreken. Ik vroeg me af wat erachter al die voordeuren speelde en wie ik allemaal zou leren kennen. Naast dat ik veel in de buurt te vinden was, nam ik de tijd om mijn ervaringen op te schrijven. Deze verslagen besprak ik wekelijks met Heleen. Samen keken we wat ik leerde over leefwereld van de bewoners en misschien nog wel belangrijker; wat ik leerde over mezelf door schijnbaar doelloos rond te lopen in de buurt. Ik werd me bijvoorbeeld bewust van mijn eigen kwetsbaarheid, terwijl die kwetsbaarheid juist een opening kon zijn voor buurtbewoners om iets van zichzelf te laten zien. Na verloop van tijd begon ik wat meer mensen te leren kennen. Het begon sommige buurtbewoners op te vallen dat ik veel op straat en ook in de modelwoning van Bo-Ex te vinden was. 'Ik zie je hier zo vaak lopen, woon je hier ook?', werd mij weleens gevraagd. Of 'Was jij nou van de pastorale raad? Mijn buurvrouw is al een tijd ziek.' Deze oppervlakkige gesprekjes waren erg waardevol voor mij, omdat ik opeens merkte dat het aanwezig zijn in de buurt zijn vruchten begon af te werpen.

De eerste tijd in de buurt voelde voor mij dus best onwennig, maar dat gold niet alleen voor mij. Andere werkers die bij de bouw betrokken waren en buurtbewoners zelf hadden ook zo hun vragen bij mijn werk en functie. 'Is dat niet een beetje overdreven? Een buurtpastor? Bo-Ex heeft toch zelf ook bewonersbegeleiding?', vroeg iemand van het grootonderhoud-team. Of: 'Maar waar bén jij dan eigenlijk precies voor?' Dat was best lastig uit te leggen omdat ik nog volop bezig was te ontdekken waar de buurtbewoners precies behoefte aan hadden, wie zij waren en wat ik voor hen zou kunnen betekenen. Ik wilde juist met een open agenda met hen in contact komen om zo echt bij hen aan te sluiten. Buurtbewoners zelf keken soms ook raar op als ze hoorde dat er een buurtpastor in de wijk werkte. 'Oh, ben jij buurtpastor?', zeiden ze dan, 'Ik had een oude man met een baard verwacht!' Langzamerhand begon er wat te veranderen. Ik leerde meer mensen kennen en mensen werden opener. Ik merkte dat er over mij gepraat werd en dat mensen mij begonnen te herkennen. De samenwerkingsrelatie met andere werkers die bij de bouw betrokken waren, werd steeds beter. Zij deelden hun zorgen over bepaalde adressen waar hen dingen waren opgevallen waar ze zelf niet zoveel mee konden. Andersom wist ik hen ook steeds beter te vinden als er bouw-gerelateerde zaken voor bewoners onduidelijk waren. Mijn rol hierin was dat ik steeds naast de bewoners probeerde te staan en hun logica probeerde te begrijpen om hen daarvanuit te ondersteunen in contacten met derden. Elke dag was afwisselend omdat ik vooraf nooit precies wist waarmee buurtbewoners zouden komen. In die zin was ik 'inschrijfbaar' en konden buurtbewoners zelf aangeven op welke wijze ik van betekenis zou kunnen zijn.

Ik heb het als zeer waardevol ervaren dat de stichting veel geïnvesteerd heeft in het inwerktraject. Naast de begeleiding van Heleen en ondersteuning van Jan Franken (ambtelijk secretaris), kon ik in september beginnen aan een introductiecursus van Stichting Presentie. Op zes cursusdagen (met bijbehorende studieopdrachten) werden de kernprincipes van de presentiebenadering uitgelegd en werd er besproken hoe deze er in de praktijk uit konden zien. Het was voor mij zeer leerzaam om bewust stil te staan bij hoe ik de presentiebenadering kon toepassen in mijn werkpraktijk. Naast de begeleiding vanuit de stichting had ik regelmatig contact met projectmedewerker Meryem Dursum en de projectleider Peter Witteman over mijn rol in de buurt rondom het onderhoudsproject van Bo-Ex. Er vond vier keer een kwartaalevaluatie plaats waar zij vanuit Bo-Ex en ook Jan Franken vanuit de stichting bij aanwezig waren. We spraken over mijn werkzaamheden en over signalen uit de buurt die ik had opgedaan en die voor Bo-Ex van belang waren om te weten.

Terugkijkend op dit eerste jaar was dit een intensief jaar waarin ik zowel op werk-gerelateerd als op persoonlijk vlak veel geleerd heb. Achteraf gezien ging het leggen van contacten met bewoners veel sneller dan verwacht. Het was heel bijzonder om te merken dat buurtbewoners mij vertrouwden en dat ik op verschillende vlakken van betekenis kon zijn.

Aantallen en achtergronden van bezochte huishoudens in 2015

Het afgelopen jaar heb ik contacten gelegd met bewoners van de Tjepmahof, Montfoortlaan, Nijeveldsingel, Kastelenplantsoen, IJsselsteinlaan, Rijnesteinhof en Duurstedelaan. Deze ontmoetingen vonden op straat, in de modelwoning op het Kastelenplantsoen en bij bewoners thuis plaats. Ik heb kennisgemaakt met alle huishoudens waar in 2015 en begin 2016 het grootonderhoud werd uitgevoerd, in totaal waren dit 127 adressen uit de geplande bouwfase 1 en 2. Mensen die niet thuis waren heb ik telefonisch benaderd om desgewenst een afspraak te maken. Enkele huishoudens kon ik na diverse contactpogingen niet bereiken. Hier heb ik een brief met mijn gegevens achtergelaten. In onderstaande tabel wordt inzichtelijk met hoeveel huishoudens ik contact heb gehad, het aantal vervolgafspraken dat ik gemaakt heb en het aantal huishoudens dat ik intensief begeleidde. Onder intensieve begeleiding versta ik dat ik gedurende een periode van minimaal zes weken, wekelijks contact had met de betreffende huishoudens en dat ik -indien dat wenselijk was- contact op heb genomen met andere (betrokken) hulpverleners. Naast de contacten uit bouwfase 1 en 2 heb ik ook enkele contacten opgedaan met bewoners die in geplande bouwfase 3 en 4 wonen en van wie hun woning pas half 2016 of later een onderhoudsbeurt krijgt. Verder werd ik soms ook door medewerkers van Bo-Ex, Hakvoort Mens en Gebouw, Koopmans, het buurtteam of door andere buurtbewoners doorverwezen naar bepaalde adressen. Met die mensen probeerde ik dan ook in contact te komen om te zien of ik iets kon betekenen.

Tabel 1 Overzicht contacten met het buurtpastoraat

Huishoudens fase 1-2*

Huishoudens fase 3-4
Kennismakingsgesprekken 104

Schriftelijk contact

23
Vervolggesprekken 35 6
Intensieve begeleiding 8 3

*In totaal vond er in 2015 bij 119 adressen het grootonderhoud plaats. Ik heb in 2015 ook contact gezocht met acht adressen waar het onderhoud in januari 2016 van start zou gaan.

Van de 41 huishoudens met wie ik vervolgafspraken heb gemaakt, maken de onderstaande tabellen inzichtelijk wat de afkomst is van de betreffende personen en om hoeveel volwassenen en kinderen dit gaat.

Tabel 2 Afkomst van huishoudens met vervolgafspraken.

Aantal huishoudens
Nederlands 17
Marokkaans 11
Turks 4
Andere nationaliteiten 9

Tabel 3 Leeftijden van personen van de 41 nader bezochte huishoudens

Aantal personen
Aantal kinderen 0-15 jr. 43
Aantal jongeren 16-20 jr. 10

Aantal volwassen tot 65 jr.

44
Aantal volwassen 65+ 18

Impact van het proces van grootonderhoud

Het afgelopen jaar zijn er 119 huurwoningen van wooncorporatie Bo-Ex opgeknapt. In drie weken tijd werden de ramen, kozijnen, radiatoren, bedradingen, de keuken, de badkamer en het toilet vervangen. Tijdens de werkzaamheden verbleven de bewoners in een tijdelijke logeerwoning elders in de wijk of op Kanaleneiland. Hun spullen moesten zij tijdelijk opslaan in een zeecontainer achter hun woning. Ik sprak veel bewoners die erg blij waren dat hun woning onderhanden werd genomen. Toch had voor veel bewoners het hele onderhoudsproces veel meer impact dan zij aanvankelijk dachten. In de eerste plaats omdat alles vaak meer tijd en energie kostte dan zij hadden ingeschat, maar ook omdat zij vaak al genoeg andere dingen aan hun hoofd hadden. Soms merkte ik ook dat bewoners niet precies begrepen wat er van hen verwacht werd en hierdoor in de stress schoten. Ik probeerde bewoners op verschillende vlakken te ondersteunen.

3.1 Ondersteuning in communicatie rondom het grootonderhoud

In de contacten met buurtbewoners kwamen buurtbewoners regelmatig naar mij toe met vragen over het grootonderhoud. Ik merkte hierin dat ik makkelijk aanklampbaar was voor bewoners en dat zij niet altijd wisten bij wie zij met hun vragen terecht konden. Ik kon hen ondersteunen door hen te verwijzen naar de juiste personen binnen het onderhoudsteam. In veel gevallen ondersteunde ik ook in het leggen van de contacten zelf, door samen met bewoners te bellen of dingen te regelen. Gaandeweg het jaar wist ik op veel bouw gerelateerde vragen zelf al een antwoord en kon ik bewoners hier gemakkelijk bij helpen. Enkele buurtbewoners waren erg wantrouwend naar het onderhoudsteam en zagen zeer op tegen het feit dat er bouwvakkers in hun huis waren terwijl zij niet aanwezig waren. Met deze bewoners wist ik in veel gevallen een vertrouwensrelatie op te bouwen en kon ik een brugfunctie vervullen tussen het onderhoudsteam en de betreffende bewoner. Ik bereidde samen met de buurtbewoners gesprekken voor en probeerde aanwezig te zijn tijdens afspraken met de aannemer, opzichter en bewonersbegeleiding. Daarnaast probeerde ik de wensen en behoeftes van de buurtbewoners zo goed mogelijk duidelijk te maken aan medewerkers van het onderhoudsteam.

3.2 Praktische ondersteuning

Er waren ook bewoners bij wie ik op praktisch vlak van betekenis kon zijn. Zij gaven aan dat zij enorm opzagen tegen het inpakken en opslaan van hun spullen. Soms omdat zij (uitzonderlijk) veel spullen bezaten, zij niet vroegtijdig konden beginnen of omdat zij aanhikten tegen de chaos die het inpakken en opslaan teweeg zou brengen. Samen met hen besprak ik hoe zij het zouden kunnen aanpakken en welke hulp of ondersteuning zij daarbij nodig hadden. Ik probeerde helder te krijgen waar de bewoner behoefte aan had en welke rol ik daarin kon spelen. Geregeld hielp ik zelf ook mee met inpakken. Hierbij merkte ik dat het bewoners energie gaf om samen aan de slag te zijn, maar ook dat dit bij droeg aan het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de buurtbewoners. Tijdens het inpakken kwamen er gesprekken opgang over het leven van de betreffende buurtbewoner(s). De spullen die we inpakten, brachten namelijk uiteenlopende gesprekken op gang. Ik merkte dat buurtbewoners vaak veel opener waren als we samen spullen inpakten, dan als we tegenover elkaar aan tafel zaten. Soms kwam het voor dat buurtbewoners meer hulp nodig hadden met het inpakken en opslaan van hun spullen, dan ik hen kon bieden. Samen met deze mensen keek ik dan of zij een beroep konden doen op hun netwerk en of dat Bo-Ex of vrijwilligersorganisaties extra ondersteuning konden bieden. Met name voor het inpakken van spullen hebben plaatselijke kerken en de organisaties HIP, Stichting Present en U-Centraal verscheidene malen hulp geboden door het werven van vrijwilligers.

Morele ondersteuning

Naast het feit dat er praktisch gezien veel van de bewoners werd gevraagd, had het mentaal gezien ook een grote impact. Sommige bewoners zagen op tegen het inpakken van hun spullen en een verblijf in een andere woning, omdat hen dit deed denken aan eerdere verhuizingen uit het verleden die op een onprettige manier verlopen waren. Met deze bewoners ging ik in gesprek over gebeurtenissen uit het verleden zoals (gewelddadige) scheidingen, vluchten uit oorlogsgebied of angst- en paniekaanvallen die opkomen in nieuwe situaties. Voor mensen met traumatische herinneringen aan verhuizingen was het extra zwaar om drie weken hun woning te verlaten. Ik probeerde hen te ondersteunen door met hen in gesprek te gaan, hen regelmatig te bellen of langs te gaan en te helpen waar gewenst. Ook waren er bewoners die juist met inpakken geconfronteerd werden met (nare of verdrietige) herinneringen uit het verleden. Ik probeerde deze bewoners de ruimte te geven om hun verhaal te vertellen en daar aandacht voor te hebben. Naast het gegeven dat het grootonderhoud dus veel herinneringen naar boven bracht, kwam ik ook verschillende buurtbewoners tegen met wantrouwen jegens instanties en dus ook tegen de betrokkenen van het onderhoudsteam. Dit ging vaak om mensen die al diverse ervaringen hebben met hulpverlening waarbij zij zich niet gekend en gehoord voelden. Daarbij ben ik ook bewoners tegen gekomen die angstig waren voor het feit dat er onbekende bouwvakkers aan het werk gingen in hun veilige leefomgeving. Ook deze bewoners probeerde ik te ondersteunen door middel van gesprekken en door aanwezig te zijn bij gesprekken over de bouw met derden. Ik merkte dat het buurtbewoners lucht gaf om hun gedachten, angsten en frustraties met mij te delen en dat ik voor sommige buurtbewoners een constante factor kon zijn in het hectische proces van het grootonderhoud.

4. Ondersteuning van buurtbewoners

Naarmate ik meer buurtbewoners leerde kennen, kreeg ik steeds meer een inkijkje op hun leven. Sommige buurtbewoners bij wie ik rondom de bouw vaker over de vloer kwam, begonnen mij steeds meer in vertrouwen te nemen over zaken die hen bezighielden. Soms ging dit om positieve aangelegenheden waarin ik mee kon leven met een belangrijke gebeurtenissen in hun leven zoals een nieuwe baan, een verjaardag, een geboorte, een nieuwe relatie of het behalen van een diploma. Het was bijzonder om te zien dat bewoners die vaak ook genoeg problemen hebben, zo blij konden zijn met dit soort momenten en mij hierin meenamen. Daarnaast kwam ik ook steeds meer te weten over moeilijkheden waar buurtbewoners mee te kampen hadden. Afgelopen jaar kwam in het contact met de bewoners de volgende type problemen naar voren:

  • Eenzaamheid, mensen met een klein sociaal netwerk.
  • Taalproblemen door een taalachterstand/ analfabetisme (moeite met telefoongesprekken, keuzemenu's, en schriftelijke informatie).
  • Ziekte, handicaps of psychische problemen.
  • Relatieproblemen.
  • Financiële problemen door werkloosheid en schulden.
  • Burenruzies en overlast.
  • Opvoedvraagstukken.
  • Problemen rondom criminaliteit (inbraken, bedreiging en afpersing).
  • Verslavingen.
  • Trauma's uit het verleden, zoals (kinder)mishandeling, misbruik, oorlogstrauma's e.d.

In de gesprekken over uiteenlopende onderwerpen was het in de eerste plaats van belang dat de bewoner de ruimte kreeg om op verhaal te komen. Mijn rol daarin was dat ik naar de bewoner luisterde en vragen stelde over hetgeen gedeeld werd. De bewoner kon zijn / haar verhaal vertellen en door daarover in gesprek te gaan probeerden we samen een lijn te ontdekken in de ervaringen. In deze gesprekken probeerde ik me zoveel mogelijk te laten leiden door de buurtbewoner en bepaalde de buurtbewoner het tempo. In sommige situaties hadden mensen behoefte aan (meer/andere) hulpverlening. Samen met de buurtbewoner oriënteerden we welke hulp mogelijk aan zou kunnen sluiten op de betreffende situatie. Dit was soms een lang proces omdat de buurtbewoner wantrouwend tegenover hulpverlening stond of omdat gevoelens van schaamte of angst een belemmering vormden om hun problemen met anderen te delen. De uitdaging voor mij was dan om geduldig naast de buurtbewoner te blijven staan om samen te ontdekken waar dit op uit zou lopen. Ik merkte dat naarmate ik een sterkere vertrouwensrelatie met buurtbewoners had, ik gevraagd werd om te ondersteunen in contacten met andere hulpverleners of instanties. Mijn rol was dan om het perspectief van de buurtbewoner te vertolken naar de instantie en andersom om de kant van de instantie of hulpverlener uit te leggen aan de buurtbewoner.

Naast de gesprekken en de contacten met andere hulpverleners vroegen buurtbewoners mij soms ook om hen in alledaagse dingen te ondersteunen. Ik ben een aantal keer mee geweest met ziekenhuis- en tandartsbezoeken van bewoners die hier als een berg tegenop zagen. Daarnaast heb ik weleens een boodschap gedaan of een hond uitgelaten voor een bewoner die ziek was geworden en op dat moment omhoog zat. Sommige kinderen vroegen mij om uitleg over een huiswerkopdracht en sommige tieners vroegen advies over hun studiekeuze, stageplek of bijbaantje. Afgelopen jaar merkte ik ook dat veel bewoners worstelden met de actualiteit zoals nieuws rondom terroristische aanslagen, oorlogen en het vluchtelingenvraagstuk. Verschillende bewoners met een islamitische achtergrond vertelden dat zij meer met discriminatie te maken hadden dan enkele jaren geleden en dat zij moeite hadden met het beeld van de Islam zoals dit in de media naar voren kwam. Anderen deelden vooral hun angsten met mij over wat er wellicht ook in Nederland zou kunnen gebeuren. Ik merkte ook dat er de actualiteit levensvragen boven kwamen. Buurtbewoners vroegen zich dingen af als: 'In wat voor een wereld leven we en waar gaat dit naar toe?' In de buurt merkte ik dat het thema 'vluchtelingen' sterk leefde en dat nieuws omtrent vluchtelingen diverse reacties opriep. Enerzijds proefde ik medelijden en compassie voor vluchtelingen, zeker bij mensen die hier van dichtbij mee te maken hadden. Anderzijds riep het bij sommige bewoners veel weerstand op, omdat zij zelf moesten vechten om rond te komen terwijl zij het beeld hadden dat vluchtelingen alles in hun schoot geworpen kregen.

Het is een aantal keren voorgekomen dat ik betrokken was bij buurtbewoners die met financiële tegenvallers te maken hadden. Dit ging voornamelijk om mensen met een bijstandsuitkering die vaak ook schulden hadden. Als het om relatief kleine bedragen ging tot €50,- kon ik een beroep doen op de Pech-Mazzelpot Commissie die met gelden van Katholieke Caritas Utrecht (KCU) bewoners bijstaat. Voor grotere bedragen kon ik een aanvraag doen bij de Parochiële Caritas Instelling (PCI). Diverse bewoners konden op die manier een bijdrage krijgen in boodschappengeld, tandartskosten, betalen van een borg, eigen bijdrage advocaatskosten of reiskosten. Rondom kerst kregen drie gezinnen en twee alleenstaanden een kerstmazzel van de KCU. Zij kregen een bedrag van 50-100 euro als extraatje om een vaak dure maand mee door te komen.

Over het algemeen waren de contacten met buurtbewoners het intensiefst rondom het grootonderhoud, maar ik merkte dat buurtbewoners die ik had leren kennen soms nog behoefte hadden aan meer support en gesprekken. Juist nu ik hun vertrouwen had gewonnen kon ik vaak meer voor hen betekenen. Deze contacten heb ik dan ook voortgezet zolang dat wenselijk was. Ik merkte ook dat buurtbewoners met wie ik na het groot onderhoud weinig contact meer had, mij makkelijk wisten te vinden als zij op een later moment ergens tegenaan liepen. Gedurende het jaar begon ik steeds meer te ervaren dat ik soms ook een onderdeel werd van het informele circuit. Bijvoorbeeld doordat ik tijdens een bezoek met een bewoner een buurvrouw trof die ook haar verhaal deed. Of doordat ik op straat werd aangesproken door een bewoner die zorg had voor iemand anders in het portiek. Van verschillende bewoners kreeg ik terug dat mijn relationele en laagdrempelige manier van werken aansloot bij hun behoeften. Het werken in de buurt met een 'open agenda' heb ik dan ook als heel mooi en waardevol ervaren. Tegelijkertijd was het ook intensief doordat ik voortdurend moest schakelen tussen de verschillende verhalen, steeds weer afwegingen moest maken en meedacht in tal van complexe situaties.

5. Samenwerking met betrokken partijen in de buurt

Afgelopen jaar heb ik met verschillende partijen samengewerkt. Intern heb ik wekelijks reflectiebijeenkomst gehad met mijn collega Heleen Heidinga. Daarnaast vond er ook geregeld teamoverleg plaats waarin we zaken aangaande de buurten met elkaar bespraken. Ook kwamen we als team vier keer bij elkaar met de Pech- & Mazzalpot Commissie om casussen uit de buurt te bespreken waarin buurtbewoners extra financiële ondersteuning konden gebruiken. Daarnaast heb ik ook contact gehad met externe partners, zoals hulpverleners, kerken, instanties en betrokken partijen rondom het grootonderhoud. Vrijwel altijd ging dit om contacten vanuit de buurtbewoner naar andere partijen. De buurtbewoner was voor mij meestal leidend in de contacten met hulpverleners en instanties.

De belangrijkste externe samenwerkingspartners rondom het grootonderhoud waren Bo-Ex, Hakvoort Mens en Gebouw en Koopmans. Andere samenwerkingspartners waren Buurtteam Hoograven, Stichting Hip, Stichting Present, Altrecht, Samen Veilig en de Katholieke Caritas. Incidenteel had ik contact met de wijkagent, plaatselijke scholen, kerken, huisartsen, Gemeente Utrecht (Werk en inkomen en budgetbeheer), Buurtzorg, Victas, Sociaal Makelaars, Lister, Stichting Omduw en de Tussenvoorziening.

Deze contacten hadden betrekking op de volgende terreinen:

  • Verheldering van communicatie tussen de buurtbewoner en betreffende partij.
  • Het verduidelijken van de positie en het perspectief van de buurtbewoners naar de betreffende partij.
  • Opkomen voor de belangen van de buurtbewoner.
  • Advies vragen aan de betreffende partij over een situatie van een buurtbewoner.

Deze contacten vonden plaats in zorgvuldig overleg met de buurtbewoner. Hierbij was het voor mij van belang om goed helder te hebben wat er bij de buurtbewoner leeft en welke logica hierachter schuil gaat. Als dit duidelijk was kon ik de buurtbewoner ondersteunen om dit naar anderen te verwoorden of kon ik -indien gewenst- hier zelf woorden aan geven. Ik probeerde steeds het perspectief van de buurtbewoner duidelijk te maken, zodat anderen zouden gaan begrijpen wat de achtergrond is van een bepaalde gedachtegang of situatie. Hier had ik soms een lange adem voor nodig omdat ik merkte dat er bij sommige hulpverleners en instanties achterdocht naar bepaalde bewoners zat. Soms merkte ik ook dat er geredeneerd werd vanuit een duidelijk beleid of kader wat voorbijging aan de behoeftes van de betreffende buurtbewoner(s). In die situaties probeerde ik zo goed mogelijk de situatie van de bewoner in beeld te brengen. Niet met de gedachtegang dat de ander het bestaande beleid of kader los zou laten, maar juist om de ander ertoe te bewegen de situaties eens vanuit een ander licht te bezien en samen te zoeken naar (creatieve) oplossingen.

Andersom probeerde ik ook steeds weer het perspectief van de andere betrokken partij in beeld te brengen bij de buurtbewoner en te verhelderen waarom bepaalde zaken lopen zoals ze lopen. Het was waardevol om op deze wijze een brugfunctie te vervullen tussen de bewoners en de wereld van hulpverleners en instanties. Het was ook mooi om soms iets van mijn eigen werkwijze volgens de presentiebenadering te delen met andere werkers in de praktijk. Tegelijk was het voor mij leerzaam om te leren van adviezen en de werkwijze van anderen. Op deze manier konden we gezamenlijk iets betekenen voor de vaak kwetsbare buurtbewoners uit Rietveldbuurt.

Terug- en vooruitblik

Ik hoop dat dit gedeelte van het jaarverslag u een goede indruk heeft gegeven van mijn werk in de buurt. Afgelopen jaar kwam ik een gedicht op het spoor dat mij geraakt en geïnspireerd heeft en waar ik dan ook graag nog mee afsluit. Ik hoorde dit gedicht tijdens mijn eerste bestuursvergadering waar Paulus van Mansfeld, onze voorzitter, een vrije bewerking van psalm 41 door Huub Oosterhuis voorlas (zie kader). Hoewel ik het toen mooie woorden vond, zijn ze pas in de loop van dit jaar echt voor mij gaan leven. Soms schoten die woorden mij zomaar in gedachten, omdat ik flarden ervan terugzag in mijn werk. De grote contrasten in de buurt tussen rijkdom en armoede, blijdschap en verdriet, gezondheid en ziekte, bleven me bij. Soms werd ik er moedeloos van of voelde ik me schuldig als ik aan mijn eigen geluk dacht ten opzichte van zovelen om mij heen. Of ik voelde me eenzaam, omdat ik me druk maakte om een situatie van een buurtbewoner waar anderen hun schouders over ophaalden. Veel dingen leken zo oneerlijk en eindeloos voort te duren. Toch heb ik het hele jaar door ook steeds weer moed gekregen om door te gaan en zag ik soms opeens een lichtpuntje juist als alles zo zinloos leek; Een oudere vrouw, verbitterd door tegenslagen, die me opeens omhelsde. Een man die steeds weer nieuwe kracht vond om te vechten tegen zijn verslaving. Een kind dat vroeg waarom ik niet bleef logeren. Of de trouwe hulp van een mevrouw voor haar zieke buurman. Dit deed mij realiseren dat schijnbaar betekenisloze dingen er wel toe doen en in het licht van het evangelie op waarde geschat worden. Als ik hieraan terugdenk, geeft dat me nieuwe hoop en zin om ook in 2016 weer met de bewoners van de Rietveldbuurt op te trekken.

Voor mij stond een arme in vodden
uitgeteerd. Zij vroeg mij geld,
dat ze voor één nacht...
Ik gaf genoeg voor twee.

En nu
word ik overal geprezen
om mijn weldadigheid:
'de Here heeft het gezien
met behagen' en
'wie één mens redt, redt de hele wereld.'

De waarheid is
dat ik mij schaam en schuldig voel
te leven in een heelal
van zoveel pralende rijkdom
en bittere armoe.

Ik praat erover met vrienden en bekenden.
Waar ik mij druk over maak, vragen zij.
Zo ís de wereld, gewoon deze wereld.
En wie arm is heeft toch handen.
En zo'n vrouw, die kan -
er wordt hard gelachen.

En zelfs mijn jongen, die mijn brood eet
mijn gedachten deelt, lacht mee.

Hoe verder? 'Here', die ik noem
mijn God-Ik-zal-er-zijn,
hoe verder met deze wereld?

Zal uw woord over gerechtigheid
en genade
op ons geweten inwerken

en brengen een keer
in onze gedachtenstroom

en ons stil maken
en wakker?

Bron: Huub Oosterhuis. (2011). 150 psalmen vrij. Uitgeverij Ten Have.

 
 
*