• Algemene afbeelding 3
  • Algemene afbeelding 2
  • Algemene afbeelding 1
Eerste Daalsedijkbuurt

Monique de Bree

Vooraf

Van een jaarverslag verwacht je dat het je inzicht biedt in wat er is gedaan, hoe het is gegaan en waarom de werker doet wat-ie doet. Wanneer er bijzondere dingen spelen is dat te terug te vinden in het verslag. Voor Buurtpastor Monique de Bree is dat zeker het geval. Het jaar 2015 is voor haar het jaar van re-integratie: terugkomen uit een periode van zwaar ziek zijn. De draad weer oppakken en dan merken dat niets stil is blijven staan. Een inkijkje in reïntegratie, in wat het vraagt en wat het voor de werker betekent, krijg je niet zo vaak. Wij willen u daarom niet onthouden wat Monique de Bree er over delen kan.

Gérard Martens, secretaris.

Terug van weggeweest

De borstkanker die in 2013 bij mij geconstateerd werd, bracht mij in een achtbaan van bestraling, operatie en chemokuren. Toen ik dacht, hè hè, dat hebben we gehad, het stof van de kleren wilde slaan en mijn oude leven oppakken, begon het pas echt. Want hoe moet dat als je leven letterlijk op z'n kop heeft gestaan, een wiel tussen de spaken werd gestoken waardoor ik in volle vaart keihard onderuitgegaan was? M'n bel hing los, de ketting rammelde, de versnelling was niet goed afgesteld, het zadel hing scheef en het stuur op z'n kop, er zat een slag in beide wielen en de bagagedrager hing op half zeven. Niet dat ik dat meteen merkte: ik ontdekte steeds wat anders toen ik weer op gang kwam.

We zeggen in ons werk: je bent je eigen instrument. De oncoloog vroeg me een keer of ik zelf vond dat ik een zware baan had (dat vond hij namelijk). Zo heb ik dat nooit ervaren. De afgelopen jaren bouwde ik mijn werk langzaam op en uit. Zowel in aantal mensen als in werkgebied, maar ook in diepgang, aard en ingewikkeldheid van problematiek. Het is voor mij altijd hand-in-hand gegaan met plezier erin hebben, van mensen gaan houden, genieten van wat wel goed gaat en wat mooi is, van de humor, de verdunde ernst. Dat ik veel en wisselende uren maakte, vond ik geen punt: dat compenseerde ik wel met een ochtend uitslapen, een dagje thuis werken, af en toe een lang weekend of vakantie om goed bij te tanken. En dan hup, weer verder. Dat ging nu niet, is me wel duidelijk geworden.

In deze re-integratie ervoer ik wat het betekent: je eigen instrument zijn in dit werk - omdat dat instrument haperde. Fysiek en mentaal. Hoe vermoeiend is dat. Ik moest veel bijstellen in en aan mezelf, niet in het minst aan mijn zelfbeeld. Onder ogen zien dat niet alleen die fiets gebutst was, maar ook degene die bestuurde. Zo werd het voor mij een jaar van hard werken aan mijn re-integratie. Met kleine stapjes en als een Echternachprocessie. Soms te snel en dan gefrustreerd teruggefloten door mijn lijf en enorme moeheid. Soms verdrietig om m'n onvermogen en bang dat het me nooit meer zou gaan lukken. Soms precies goed en dan trots, blij en opgelucht: ik kan het nog, met beperkingen, maar toch.

Het re-integreren had dus de kant van ontdekken wat ik al wel en wat ik nog niet aankon. Tegelijk hernieuwde ik daarmee het inzicht op welke belangrijke vaardigheden een presente buurtpastor zeker in huis moet hebben om dit werk te kunnen doen. Juist omdat ik ze niet vanzelfsprekend meer had. Mijn geheugen haperde. Iemand ontmoeten betekende daarom hard werken. In de gesprekken oefende ik om de aandacht bij het gesprek te houden en merkte dat gesprekken voeren ook 'kijken' betekent, 'registreren' van de omgeving, van de gezichten, van de toon. In gesprekken werden daarbij allerlei luikjes opentrokken van eerdere gesprekken, de geschiedenis, de stroom van het leven waarin diegene staat. Dat vroeg veel energie naast de concentratie op het verhaal. Aan het concentratievermogen schortte het ook: de boog was kort en in het moment blijven was niet eenvoudig: door alle dingen die opplopten dreef m'n aandacht weg en als ik moe werd, kwam het gewoon niet meer bij me binnen. Ik luisterde wel, maar het beklijfde niet. Of ik ontdekte in het gesprek ineens dat ik echt niet meer luisterde, raakte de draad kwijt of voelde dingen wegschieten uit m'n hoofd, ook als ik zelf iets aan het zeggen was. Een soort verdwalen in mijn eigen hoofd. Aandachtig zijn vraagt energie en ruimte. Dat gold ook het multi-tasken of beter: het voortdurend moeten kunnen schakelen. Een vermogen dat in dit werk belangrijk is, wat ik altijd goed kon maar niet zomaar weer beschikbaar had. Luisteren naar een verhaal en tegelijk zien hoe iemand eruit ziet, hoe die zich toont, hoe het met z'n omgeving gesteld is en dan óók het kind zien dat eromheen drentelt en daaraan ondertussen aandacht geven; of de partner die binnenvalt of de buurvrouw met haar eigen sores even ruimte geven; de ongeopende enveloppen of het doorgezakte bed opmerken; of al fietsend op het verkeer letten én oren hebben voor wie achterop zit; telefoneren met allerlei geluiden om je heen; een gesprek blijven volgen in de herrie en chaos van de speeltuin en openstaan voor kinderen en volwassenen daar die tegelijk om aandacht vragen. Fysiek en mentaal moest ik trainen om dat vermogen weer op te bouwen, te beginnen met: het te verdragen. Ook merkte ik dat ik alles moest opschrijven, telkens als ik iemand beloofde om iets te doen, want anders vergat ik het. Ik stuurde mezelf herinneringsmailtjes en vroeg mensen me aan die dingen te herinneren omdat ik een vergiethoofd had. Het hielp om er open over te zijn. Ik ervaarde hoe geduldig, begripvol en zorgzaam buurtbewoners en collega's voor me waren. M'n routine was verdwenen, zodat alles wat m'n oude ik 'even tussendoor' deed, m'n huidige ik 'uren' kostte: telefoontjes, mailtjes, een verslag lezen of schrijven, iets uitzoeken, een vergadering voorbereiden, declaraties, zelfs van huis vertrekken.... Rustig blijven, overzicht bewaren, het laten gebeuren en geduldig zijn als er veel tegelijk op me afkwam was ook niet meer mijn sterkste kant. Dan bedoel ik niet alleen wanneer er teveel klussen op m'n lijstje kwamen. Ook veel mensen, veel verhalen, veel of grote problematische en urgente dingen: ik deed de ervaring op dat emoties en voelbare spanningen allemaal nog wat harder binnenkwamen of opgeroepen werden. En ik was (ben) overgevoelig voor druk, onrust, drukte, stress, urgentie, lawaai.

Ik raakte er zelf fysiek gestresst van, werd mentaal opgefokt: kreeg een kort lontje, werd ongeduldig met en ontevreden over mezelf, werd nóg chaotischer en vergeetachtiger, raakte in paniek en moeheid viel bij regelmaat over me heen. Dat maakte me vervolgens weer onzeker. Alsof een beschermlaagje was verdwenen waardoor dingen me persoonlijk uit m'n evenwicht brachten. Op m'n intuïtie die mij voorheen amper in de steek liet, m'n inschattingsvermogen van situaties en mensen, het zo genaamde fingerspitzengevoel, durfde ik niet zomaar meer te vertrouwen omdat ik er zelf te veel tussen zat en ik mezelf niet goed herkende, niet goed kon inschatten. Te veel innerlijke ruis.

Dus ja: m'n grenzen leerde ik zo wel kennen in energie, in vermogen. Degenen die mij hielpen bij mijn re-integratie zijn belangrijk geweest om mild te kunnen worden over mezelf, geduldig te zijn en de moed niet te verliezen. Ik leerde in ieder geval zien dat er een samenhang was tussen m'n energie en al de bovengenoemde mankementen. Daardoor lukt het me steeds beter mijn eigen grenzen te bewaken en benoemen naar mezelf en anderen: te stoppen als ik moe was, m'n agenda niet te overladen, vrij te zijn als ik vrij was. Want ik zag dat ik in de uren waarin ik dan wel werkte steeds beter ging functioneren en al gaandeweg meer aankon. Geheugen, concentratie, aandachtigheid, ruimte hebben, innerlijke rust, fysieke energie, voortdurend kunnen schakelen, transparant zijn, overzicht bewaren, geduldig zijn, het kunnen laten gebeuren, in evenwichtig zijn, goede intuïtie en mezelf kennen Die vaardigheden waren niet weg, maar moesten getraind en opgewekt of herontdekt worden. Daar was tijd voor nodig en een goede balans. In het begin bouwde ik mijn werk in uren uit over de hele week verspreid. Maar dat bleek uiteindelijk niet goed te werken. In plaats van elke dag een paar uur te werken, werk ik die uren nu over 3 dagen verdeeld. Die dagen werk ik. De andere ben ik vrij, kan ik bijtanken, uitslapen, aanrommelen en dan gaat het goed.

Dat was de ene kant van mijn re-integreren: het geworstel met mezelf. De andere kant was: weer ingewerkt raken. De buurt herontdekken, de draad oppakken met buurtbewoners, ontdekken wat er in de tussentijd gebeurd en veranderd was, ook binnen Stichting Buurtpastoraat.

Ik begon met kleine, goed afgebakende dingen die buiten de buurt te doen waren. Daar begon ik eind vorig jaar mee. Mijn archief opruimen, mail opschonen, lezen, een vergadering of andere bijeenkomst bijwonen. Werk dat ik makkelijk kon stoppen als dat nodig bleek. Toen dat lukte, ging ik gesprekken voeren met collega's met wie ik intensief samenwerkte voor mijn ziek-worden. Ik had daar een gerichte vorm aangegeven door hen te bevragen op alle veranderingen die in Welzijn en al gaandeweg ook in Zorg hadden plaatsgevonden. Ik heb ze bevraagd op hun ervaringen en visie. Dat werden intensieve gesprekken die naar beide kanten voedend waren. Ik kreeg een van verschillende kanten ingekleurd beeld van de veranderingen in zorg&welzijn. Die waren enorm. Welzijnswerkers heetten makelaars. Velen waren verdwenen. Hun functies waren veranderd. Oude gezichten waren verdwenen (de schoolarts, de wijkagent, het schoolhoofd, de leerlingbegeleiding, het jeugdadviesteam, enzovoort) nieuwe gekomen of soms helemaal niet. De organisaties hadden andere namen. Procedures waren veranderd. Eigenlijk was iedereen nog zichzelf aan het uitvinden en elke organisatie vooral bezig met zichzelf. Van mijn netwerk was niet veel meer over, concludeerde ik. Ook was met die veranderingen een scala aan nieuwe namen en afkortingen geboren naast de mantra's van zelfredzaamheid, eigen kracht, op je handen zitten, de buurt bepaalt, bewonersparticipatie en wat al niet meer. Het duizelde me. Het besef was helder dat ik me niet alleen vanwege mijn ziekteperiode moest heroriënteren. Deze veranderingen vroegen er eveneens om. En als het mij al duizelde, hoeveel te meer de buurtbewoners...

Ik vroeg hen tot slot welke toegevoegde waarde zij nog zagen voor mij als buurtpastor te midden van dat alles. Unaniem, maar in allerlei toonaarden werd gezegd: wie je was - wees present.

Je bent nodig bij buurtbewoners in de wijk omdat ze dan weer iemand hebben die open binnenkomt en de tijd neemt om naar ze te luisteren - dan hoor je wel wie en waar jij verder moet zijn. Of: de eigenheid van het buurtpastoraat is 'er zijn' voor mensen ongeacht of ze betrouwbaar zijn of zich aan afspraken houden - je laat ze niet los.

Of: het preventieve werken en hulpverlening zit niet meer in de makelfunctie (allerlei welzijnswerk heet nu 'makelen'), dus het is belangrijk dat het buurtpastoraat juist die koppeling tussen zorg&welzijn wel blijft maken en daarin een brug blijft naar de buurtteams ook. Daarbij kun jij ook linkjes leggen tussen verschillende (groepen) buurtbewoners-vooral voor de mensen die er niet zo bij horen.

Of: jij bent aanvullend op de buurtteams: midden in het leven van mensen heb je de tijd om regelmatig aan tafel te zitten. Mensen tonen zich aan jou omdat je een relatie met ze hebt, veilig, vertrouwd en betrouwbaar bent gebleken. Je ziet het als het niet goed gaat en kunt het bespreekbaar maken. Jij komt niet voor één ding - jij komt voor alles! Je zit zo op een schakelpunt met name voor kwetsbare, minst zichtbare mensen die niet makkelijk om hulp vragen of hun mond opendoen, of die niet goed passen in de regelgeving, en die daarom niet makkelijk hulp krijgen of wegge-elleboogd worden.

Of: jij kunt bij de vraag achter áchter de vraag zijn die niet gesteld wordt. Jij kunt blijven bij mensen met wie het eigenlijk nooit helemaal goed zal gaan. Voor dit radicale aansluiten hebben de buurtteams of sociaal makelaars geen tijd. Daarin kunnen we aanvullend zijn op elkaar.

Of: wees bij kinderen om de kinderen: dat ze gehoord worden, dat er iemand voor hén is, gewoon.

En bovenal: blijf vooral buurtpastor. Je bent als een buurtmoeder die er niet hoeft te zijn, maar er altijd is voor je.

Van ieder kreeg ik uiteindelijk de goede raad: doe aan zelfzorg en verzamel goede maatjes om je heen.

De gesprekken leverden mij veel op en ik was ze dankbaar dat ze deze tijd voor mij namen. Maar het leverde hen ook wat op, kreeg ik steeds terug aan het eind van een gesprek. Het werd als weldadig ervaren om voor zichzelf op deze manier de tijd te nemen en stil te staan te midden van de hectiek van veranderingen en hun eigen zoektocht naar wie zij daarin moesten zijn en worden, wat daar mooi en moeilijk aan was en daarop bevraagd te worden. In de waan van de dag raakte dat nogal eens ondergesneeuwd. Het was kortom ook een goede reflectie voor henzelf, hun positie en werk!

In de volgende fase van re-integratie werd ik nog niet in de buurt zelf actief. Wel in de omgeving van de buurt. Ik nam bewust omwegen zodat ik niet door de buurt ging en leerde om met blik op oneindig te fietsen. Iets dat helemaal tegen mijn manier van werken in is. Maar ik wilde nog niet aangeklampt worden, nog niet uit mijn tempo gehaald, nog niet verward, nog niet de kansen zien van elke onverwachte ontmoeting. Omdat ik voelde dat ik het nog niet kon, terwijl het dan toch verwacht zou worden, ook door mezelf.

Ik bezocht mensen die om de buurt heen woonden, elders in Utrecht of die in het ziekenhuis lagen. Zo kon ik heel gericht en een afgebakende tijd naar ze toe gaan en voorkwam daarmee dat ik bij vertrek nog die-en-die tegen het lijf zou lopen aan wie ik aandacht zou moeten geven, terwijl de energie op was.

Terwijl ik zo rustig opbouwde, begon het te kriebelen. Bij mij. Zin om weer de buurt in te gaan. Het leek alsof 'de buurt' die kriebel ook voelde. In de telefoontjes, WhatsApps, of andere berichten hoorde ik dat het nu toch onderhand wel tijd werd. Tegelijk was er begrip voor wat me nog tegenhield. Maar toch: "je hoeft hier alleen maar te gaan zitten en koffie te drinken, meer hoef je niet te doen, dan zijn we al blij".

Toen kwam het moment waarop ik in overleg met Hester de buurt en de speeltuin weer ben ingegaan, zonder aankondiging om te voorkomen dat er teveel mensen tegelijk op af zouden komen. Gewoon aanschuiven. In mijn logboek schreef ik daarover:

Godverdomme! Godverdomme! Krijg nou wat! Godverdomme! Dat ik hier nou zowat tegen jou aan moet rennen! Godverdomme, zeg! Sorry hoor maar godverdomme, ik schrik me kapot!

Ik zag haar eerder dan zij mij, toen ze poort kwam uitrennen om een parkeerkaart in haar auto te leggen. Ik fietste recht op haar af. Ze schrok zich echt kapot, zag ik aan haar gezicht. Grijnzend stop ik vlak voor haar en laat de vloekende zegenbede over me uitstorten. Kom hier jij, zegt ze en omhelst me, geeft zoenen, kijkt me aan en ik zie haar breken. Godverdomme, huilt ze, wat erg! Ik vraag wat er erg is. Wat zie je er goed uit! Dat is erg? Nee, joh, ik schrik d'r helemaal van dat ik je hier nu ineens zo zie. O, wat zie je er goed uit. Kom hier! Er volgt weer een omhelzing. Ik ben geland. Wacht ff tot ik die kaart erin gelegen heb: ik moet met je mee! Samen lopen we de speeltuin in. Wist Hester d'r van? Als ik dat beaam: Wat een tering wijf, hè: niets zeggen!!! en terwijl ik m'n fiets stal hoor ik hoe Hester stijfgevloekt wordt, die dat net zo vrolijk in ontvangst neemt.

Binnen is het niet druk. Aan de keukentafel een paar volwassenen. Aan de andere tafel een groepje kinderen. Als ik de deur opendoe staat daar Alyha stokstijf te glimmen zonder iets te zeggen af te wachten of ik haar nog ken. Oh Alyha, wat ben je groot geworden! eindigt in een omhelzing. Zo gaat het die middag door: elk kind op eigen wijze zoekt even, en ook ik, hoe het ook weer moet. De een zit stil te kijken tot ik een knuffel kom geven. De ander brengt me een glas met 'champagne' en we toasten samen op het nieuwe jaar. Weer een is verlegen maar staat op knappen om een knuffel te geven, die komt als ik zeg: ik heb je gemist – Ik jou ook!. Aan tafel met de oliebollen en appelflappen schuiven jongens me de laatste oliebol toe: die is voor jou. Even later wordt gevraagd: Je ging toch een keertje met ons naar de film? Ik beaam dat we dat zeker weer een keertje gaan doen. Je zou ook nog een keer met ons met de boot! Daar weet ik niks meer van, zeg ik en vraag of ze al een zwemdiploma hebben. De een gaat op zwemmen en de ander roept Ik ook! Dus spreken we af dat we het gaan doen als ze hun diploma halen. Als m'n oma doodgaat, moeten we uit het huis, zegt Elim plompverloren. Gaat het niet goed met oma dan?, vraag ik. Hij haalt z'n schouders op. Mohammed vraagt of ik kom lunchen bij ZiZo waar hij werkt. Kom je mee naar buiten?, vraagt een meisje dat ik eigenlijk helemaal niet goed ken. Wat gaan we buiten doen dan? - Nou, spelen natuurlijk! Wat, weet ze nog niet. Ze moet nog geduld hebben tot anderen me laten gaan, maar buiten weet ze wat ze wil: samen in de (nieuwe) klimauto. Mijn verweer dat ik te groot ben wordt weggewuifd en ik word geholpen met hoe ik er toch in kan komen. Een van de jongens sluit aan. Zij zijn vader en moeder en ik ben oma, geloof ik, en we gaan samen naar de Efteling. Als ik er weer uitklim komt een Nederlandse vader naar me toe en zoent me blij welkom. Vertelt vervolgens dat de oom van z'n vrouw vandaag te horen kreeg dat hij ook die ziekte heeft en als z'n vrouw aansluit, vertellen ze daarover.

Een Turkse moeder is snel naar huis gelopen en komt met cadeautjes voor mij terug, nog voor mijn verjaardag! Een kerstster, dennenboompje en kaarsenstandaard plus daar bovenop nog oliebollen voor thuis. Een andere Turkse vertelt stralend dat ze nog 5 weken heeft voor ze gaat bevallen. Bij een Marokkaanse jonge moeder trekt een sombere gloed over haar gezicht als reactie op mijn vraag hoe het met haar gaat. Wel goed hoor..., begint ze nog, maar ze ziet aan me dat ik het gezien heb. Nou, niet echt...we wonen nu hier en m'n huis is verkocht door de bank en.... ja... Ze kijkt wat om zich heen en ik zeg: Jeetje, dat is niet niks. Wil je er een ander keertje over praten. Op een rustiger moment? -Graag! Hier liever niet nee. Te veel oren. Maar werk je dan weer en kan jij dat wel aan? Ik vertel hoe ik het ga doen: rustig aan, maar een paar uurtjes per dag en als ik moe word dat aangeven en naar huis gaan. Dan is het goed, zegt ze en ik geef haar m'n telefoonnummer. Ze gaat me bellen voor een afspraak.

Ik hoor: Kijk eens wie daar is! Als ik me omdraai zie ik hoe Hester mij toont aan Miha, met een glunderend gezicht en zwierend gebaar. Ze staat beduusd met een bord vol gebakken lekkers. Trekt me aan m'n arm het gangetje in en barst in huilen uit. Sorry, sorry...ik ben zo blij dat je er weer bent. Sorry dat ik niks meer liet horen... - Geen sorry, zeg ik: je bent zelf erg ziek geweest, hoorde ik van Hester. Ze knikt, snikt en als ze rustiger wordt, vertelt ze daarover. Dat ze mij niet ongerust wilde maken en daarom niks gezegd had, maar dat ze wel heel erg ziek was. Ik moet de groeten hebben van haar familie-haar tantes. En ik moet thuis langskomen: dan kunnen we praten. Ik beloof dat ik dat zal doen.

Dan is er weer een moeder die volschiet als ze me ziet en als ze bekomen is meteen vraagt of ik de kaart van Cars kreeg. Dat bleek een raadsel in de speeltuinbrievenbus, want er stond niks op: geen naam voor wie die was noch van wie. Ze had hem van Mohammed moeten kopen: als Monique zo'n auto had kon ze snel naar de speeltuin komen en samen rijden. Mohammed gaat alsnog een tekening maken. Van mij. Met een grote glimlach op z'n gezicht en de speeltuinleiding (o nee: makelaars) diept de kaart op uit het kantoortje!

Malika geeft me broodjes die ze zelf bakte en we praten over haar afvallen, echt ongelooflijk veel. Eerst met behulp van 'koffie' maar nu geheel op eigen kracht. Wat een verschil! Wat een zelfvertrouwen zie ik ineens bij haar. Ook over school en de keuzes die ze moet gaan maken. Ook Burda praat over school en over dat er wat verwarring is over haar niveau en dat de meester zei dat ze nu ook voor een hoger niveau boeken moest, maar dat haar moeder dat niet wilde. Vervolgens hoor ik over baan-kwijt-geld-probleem-geen-huur-kunnen-betalen-als-er-iets-met-oma-gebeurt (ja, dezelfde als hierboven) Pfff. De meester heeft gezegd dat haar moeder moet komen praten....ik weet het niet hoor... We praten over school en wat zij zelf wil en ik zeg hen beiden dat geld nooit een probleem mag zijn voor school, dat ze dan ook aan mijn mouw moeten trekken. Goed leren, dan heb je kans op een goede baan en niet meer steeds geldproblemen. Malika glundert: jaaaa, politie! Want dat wil ze worden.

Nu ja. Zo dus ongeveer ben ik teruggekomen. Me laten begrenzen door mijn (on)mogelijkheden. Mijn agenda laten bepalen door wie en wat er op me afkwam of voor m'n voeten viel. Me voegend naar wie zij wilden dat ik zou zijn voor ze.

Buurtbewoners pakten op eigen manier de draad weer op met me. Zeker in het begin betekende dat een stortvloed aan verhalen over de tijd die ik met hen gemist had. Bijgepraat worden, weer bij de tijd raken. De een begon alsof ik nooit weggeweest was zodat ik plompverloren midden in hun levensverhaal viel. De ander tastte af of ik het wel weer aankon. Sommige kinderen wisten helemaal niet meer wie ik was, moesten weer aan me wennen en tastten af, of deden alsof ze gister nog met me speelden. Veel gesprekken gingen ook over wat mij gebeurd was en in het verlengde daarvan kreeg ik goede zorg van hen terug (die ik overigens ook tijdens mijn ziekteperiode mocht ontvangen in een stortvloed aan kaartjes, andere berichten, gebeden of bezoekjes). Begrip voor mijn grenzen, die ze mee bewaakten voor me. Of ze toonden me hun verdriet over mij, hun geworstel waarom dat mij overkomen was en ik had daardoor vaak zinvolle gesprekken over hoe om te gaan met pech, met ongeluk, met beschadiging, met angst, met de dood voor ogen.

Vaak, en nog, zag ik mensen volschieten als ze me voor het eerst weer zagen: mens wat zie je er goed uit! Buurtbewoners die van de fiets afstapten, hun huis of auto uitkwamen, die de straat overstaken, de speeltuin inkwamen omdat ze me gezien hadden, het gerucht gehoord dat ik er was. Het voelde als een grote omhelzing en dat was het vaak ook.

In het logboek verhaal is te lezen dat mensen me vooral vroegen voor persoonlijke, vertrouwelijke gesprekken. Die gesprekken zijn mijn agenda vooral gaan bepalen. Individueel of in kleine verbanden. Bij hen thuis, op kantoor, in een café of restaurant. Vaak kwamen daar werkzaamheden uit voort zoals bemiddelen naar het buurtteam of een wijkagent, een formulier mee invullen, informatie opzoeken met ze, meegaan naar artsen of een ziekenhuisbezoek, een gesprek op school of met een van de andere familieleden, meegaan naar spannende gesprekken met instanties. Dat soort dingen. Zo leerde ik meteen via hen steeds meer nieuwe werkers kennen en werk ik tegelijk aan de opbouw van een nieuw netwerk met andere werkers in de buurt of om bewoners heen.

Een ander appèl dat onmiddellijk en met name door kinderen gedaan werd, was om samen wat dingen te ondernemen. Huiswerk maken, vakantie-activiteiten, aanwezig zijn bij leuke dingen in de speeltuin of op school, samen spelen, een stukje fietsen, koken bij mij thuis, een dag weg met een grote groep buurtbewoners die niet met vakantie waren, meegaan met schaatsen vanuit de speeltuin. Dus ook dat heb ik, met inachtneming van wat ik aankon, gedaan. Verdunde ernst, noemen we dit in presentie-termen omdat dwars door die lichtheid heen ook de ernstige verhalen kwamen. Ook verdiepten of ontstonden relaties hierdoor, zowel met mij als onderling. Bovendien, en niet minder belangrijk: ze zorgden voor veel plezier en ontspanning!

Ik ben nog steeds bezig om lijntjes op te pakken met verschillende buurtbewoners. Op de een of andere manier gaat dat heel gewoon, druppelsgewijs. Wat ik nog steeds niet echt doe, is rondlummelen in de buurt, omdat ik dan helemaal niet voorzien kan wat me gaat overkomen en ik voel dat ik daar nog voorzichtig mee moet zijn: dat kan ik nog niet aan. Het overzicht over de buurt en in de haarvaten zijn: nee, daar ben ik zeker nog niet. Dat zal ook nog wel tijd vergen en ik ben daar eenvoudigweg gezegd nog niet genoeg voor in de buurt, maar het groeit. Ook ga ik niet naar allerlei overleggen en bijeenkomsten die in het kader van de veranderingen in welzijn en zorg georganiseerd worden, maar kies ervoor om andere werkers te leren kennen vanuit de buurtbewoners met wie ik optrek. Het zou me anders nog meer wegtrekken uit de buurt. Ik werk nu 18 uur volwaardig, in plaats van 38 uur die ik formeel voorheen werkte.

Hoeveel uur dat uiteindelijk gaat worden, ben nog aan het uitproberen. Daarin word ik goed begeleid door Jan Franken en zoeken we samen wat mogelijk en goed is voor het werk en voor mezelf. Fijn is het om te voelen dat ik die ruimte dus niet alleen van de buurt, maar ook van mijn bestuur als werkgever krijg. Ook mijn collega's helpen daaraan mee. Met name Hester van Soest en Heleen Heidinga die beiden delen van mijn werk hebben overgenomen. Dat dit kan en dat zij dat doen heeft mij tijdens mijn ziekteperiode veel rust gegeven: dat het bestuur en alle geldgevers het mogelijk hebben gemaakt dat mensen in de buurt, met wie veel aan de hand is, niet verlaten werden. Hester deed en doet dat vooral in de buurt. Heleen daar buiten plus werkzaamheden op het gebied van overdracht in samenwerking met de Stichting Presentie. We zijn dit jaar met regelmaat samen gaan overleggen over het werk om het goed af te stemmen op elkaar en om soms samen dingen op te pakken. Ook reflecteren we op wat zich in de buurt of bij bewoners afspeelt en op ons eigen functioneren.

Wat betreft de overhead werd ik door ieder nog flink ontzien, durfde en mocht ik vaak 'nee-zeggen'. Maar dan nog zijn er verschillende team-overleggen, bestuursvergaderingen, gesprekken met fondsen en gemeente, bijeenkomsten rond presentie, mijn administratie en mail of ook dit jaarverslag waar ik tijd in stopte.

Dit was kortom voor mij een jaar van werken aan een goede terugkeer in het werk. Met daarin de balans zoeken tussen goed voor mezelf en goed voor het werk. Dat is een behoorlijke opgave en ik ben daar ook nog niet mee klaar: er valt nog steeds veel recht of vast te zetten en te oefenen met die fiets! Toch ben ik blij dat ik dit allemaal weer kan en mag doen Het heeft me, voel ik, op een bepaalde manier gelijkwaardiger gemaakt aan buurtbewoners: ook bij mij kunnen dingen stuk, hebben ze gezien en dat heeft invloed op onze relatie - ook bij jou, niet alleen bij mij. En ik begrijp nog beter hoe belangrijk het is om bij iemand te blijven, om naast iemand te blijven staan vanwege die ander, zelfs al valt er niets te verhelpen: ik blijf, omdat jij belangrijk bent, ten minste voor mij. Niet wat je doet, maar dat je er zo bent, daar draait het om.

Indruk van mijn werk in cijfers:

Kinderen:

Huiswerk, Wekelijks, 3 groepjes:

  • 1 van 4 meisjes,
  • en 1 van 6 meisjes plus apart 1 meisje werd 2e groepje van 5 meisjes
  • 1 groepje van 4 jongens

Culturele achtergronden:

  • Nederlandse
  • Turkse
  • Marokkaanse
  • Somalische
  • Tunesische
  • Griekse
  • Surinaamse
  • Gemengde

Met jongeren intensieve begeleiding:

  • Eten: 9x
  • Samen koken en eten: 6x
  • Regelmatig gesprekken op kantoor of bij hen thuis
  • 6 jongeren met culturele achtergrond:Turkse, Surinaamse, Marokkaanse

Met Volwassenen/gezinnen:

  • Intensief: 9 gezinnen (Betreft 13 volwassenen, 4 jongeren, 13 kinderen)
  • Incidenteel: 12 gezinnen (betreft 9 volwassenen, 10 jongeren, 8 kinderen)

Met culturele achtergrond:

  • Nederlandse
  • Marokkaanse
  • Turkse
  • Surinaamse
  • Gemengde
  • Somalische

Vakantieactiviteiten:

Met kinderen:

  • 5x naar de film, 19 kinderen
  • 1x koken en fietsen, 2 kinderen

Met Jongeren:

  • 4x naar de film, 4 jongeren
  • Fietsen, 1 jongere
  • Koken, 2 jongeren
  • Uit eten, 2 jongeren

Met Buurtbewoners, gemengde leeftijd:

  • Naar Duinoord in de grote vakantie: 11 volwassenen, 3 jongeren, 17 kinderen
  • Een schaatsuitje 30 kinderen en 9 volwassenen voor de begeleiding en het vervoer.
 
 
*