• Algemene afbeelding 2
  • Algemene afbeelding 3
  • Algemene afbeelding 1
Geuzenwijk

Heleen Heidinga

Je moet van twee kanten komen om elkaar te ontmoeten
Je moet eigenlijk toevallig onderweg zijn.
Je moet geen doel voor ogen hebben
En je moet laten gebeuren waarvoor je bang bent.

Je moet niet alles willen verklaren
voor je het weet, verklaar je elkaar de oorlog.

Je moet van twee kanten komen om elkaar te ontmoeten.
Je moet jezelf in de ander durven zien
zonder in die ander te verdwijnen.

Het kan opeens, zomaar voor je staan
het lijkt op iets om uit de weg te gaan.
Dat is het vreemde van geluk.

Je maakt het waar of je maakt het stuk
het kan jou bedreigen
het kan je behoeden
Maar je moet van twee kanten komen om elkaar te ontmoeten.

Stef Bos

Eind 2014 heb ik een begin gemaakt in mijn nieuwe buurt; de Geuzenwijk. Een nieuwe naam voor de oude Betonbuurt in Zuilen, in Noord/West Utrecht. Als stichting hebben we nagedacht in welke buurt ik zou moeten zijn, nadat mijn werk in de Queeckhovenbuurt eind 2014 was afgerond. Uit deze buurt kwamen mij signalen ter ore door zowel buurtbewoners uit mijn oude buurt, als door werkers, als door instanties dat het hier 'niet goed' ging. En tegelijkertijd het signaal dat men daar niet goed bij kon komen, omdat er veel geslotenheid zou heersen en dat het moeilijk was om achter de voordeur te komen.

Door onze ervaring met het werken volgens de presentiebenadering, waarbij de relatie voorop staat en we vanaf de straat langzaam vertrouwen proberen te winnen in de buurt en bij de bewoners, dachten we dat dit een goede manier zou zijn om ingang te krijgen tot deze buurt en haar bewoners.

We hebben een projectplan geschreven, waarin we konden steunen op de ervaringen en expertise die mijn collega Monique de Bree heeft opgedaan in haar praktijk. Dat kreeg instemming van een aantal belangrijke partners zoals Kansfonds, Stichting Me'kaar en de Gemeente Utrecht, die dit werk financieel ondersteunen. Kansfonds kwam op ongeveer datzelfde moment met een programma genaamd 'Opvoeden en opgroeien in armoede'. Dit programma is gericht op betere kansen voor kinderen van nul tot en met 12 jaar die in armoede leven. Dat bleek naadloos aan te sluiten bij onze werkwijze en bij wat wij voor ogen hadden in deze buurt. Wij hebben een aanvraag ingediend en ons initiatief is als één van de beste twintig geselecteerd en gehonoreerd, wat betekent dat wij gedurende drie jaar financiële en inhoudelijke ondersteuning van Kansfonds krijgen om ons project uit te voeren. Vanaf januari 2015 ben ik in deze buurt - na in 2014 voor een klein deel kwartier te hebben gemaakt in opdracht van Stichting Me´kaar - verder gegaan.

In mijn gedeelte van het jaarverslag wil ik aantal thema's en gebeurtenissen langs lopen die belangrijk geweest zijn in het afgelopen jaar. Die illustreer ik met zowel een cijfermatige, formele ordening van het werk als met verhalen uit de buurt. Op die manier hoop ik brede inkijk te geven in mijn werk die elkaar versterkten.

Ook in deze buurt ben ik begonnen met een onderdompeling in de buurt; exposure in presentietermen. Veel op straat zijn op zoek naar plekken om bewoners in hun eigen omgeving te ontmoeten. Je onderdompelen in een voor mij vreemde wereld en in reflectie ontdekken wat dat met mij doet als ik me daaraan blootstel, dat is exposure. Januari is een moeilijk seizoen om te starten; er waren weinig mensen op straat en weinig kinderen in de speeltuin. Daardoor werd ik als werker volop met mezelf geconfronteerd: wat doe ik hier en gaat het ook dit keer echt lukken met het aangaan van relaties met mensen, zoals ook in mijn vorige buurt. Daarbij kwam dat ik niets in handen had. Ik werkte niet samen met een wooncorporatie; ik kwam niet aanbellen om kennis te maken; ik kwam geen activiteiten in de speeltuin opzetten. Reflectie en ondersteuning hierbij is erg belangrijk om vooral ook details en lijntjes die wel ontstaan te zien en vast te houden. Voorbeelden hiervan zijn bekend worden met de buurt; kinderen en volwassenen gaan herkennen; kleine gesprekjes hebben en vooral mijn eigen proces in kaart brengen. Waarom vind ik het (weer) zo moeilijk om schijnbaar doelloos in een buurtje te zijn? Een deel van een antwoord daarop was, omdat ik zelf verwachtingen had die niet ingelost werden enerzijds en omdat ik de druk voelde van buitenaf anderzijds. We hadden aangegeven in ons plan dat ik relaties ging opbouwen met vooral kwetsbare kinderen. Dus dan doen ontmoetingen met ouderen er opeens niet toe in mijn hoofd. Toen ik dat hardop kon formuleren en met collega's op kon reflecteren gaf dat openingen en rust in mijn hoofd, wat belangrijk is om echt open te gaan voor wat er vanuit de buurt op me afkwam. In de beginperiode heb ik te weinig mogelijkheid gehad voor reflectie. Dat ging ten koste van mijn proces in de buurt en van mezelf omdat ik ontevreden was en daar niet goed de vinger op kon leggen, wat fnuikend is. Het bleek opnieuw waar, dat je goede begeleiding nodig hebt bij een exposure, ook als je het al meerder malen hebt gedaan in andere buurten. Iedere buurt is anders en verlangt dus ook iets anders van de werker. Die zaken worden helder tijdens het proces van schrijven en reflecteren op je werk.

Ik moest leren balanceren tussen drie zaken:

  • wat komt er vanuit de buurt op mij af en daarop gaan acteren zonder voorbehoud;
  • wat zit er in mijn eigen hoofd aan verwachtingen en neigingen (het gaat te langzaam, ik ben met de verkeerde doelgroep aan het werk etc);
  • wat hebben we als Stichting gezegd te zullen doen in deze buurt.

Dat onder de knie krijgen, vond ik een taai proces.

Ondertussen gebeurde er wel van alles! Langzaam maar zeker ontdekte ik verschillende structuren in de buurt: het bleek dat veel mensen familie van elkaar waren en dat er grofweg drie grote familieclans te onderscheiden zijn. Dat geeft een bijzondere dynamiek aan een buurt want 'als je aan hem komt, kom je aan mijn familie en kom je dus eigenlijk aan mij.'

Het wantrouwen waar we op papier over gesproken hadden dat in de buurt zou gelden naar elkaar en naar instanties, bleek ook voor mij te gelden. Dat had ik me helemaal niet gerealiseerd, maar was natuurlijk wel zo. Met name volwassenen keken de kat uit de boom bij deze nieuwe pastor. Ik werd getest en op afstand gehouden, totdat ik betrouwbaar genoeg bleek om verhalen aan toe te vertrouwen. Dat gebeurde mondjesmaat. Het vertrouwen dat volwassenen mij gaven moest ik keer op keer bevestigen, door te blijven komen, door te laten zien dat ik niet roddelde, en door consequent de kant van de buurtbewoner te kiezen in hun omgaan met instellingen en andere hulpverlening. Dat betekent niet dat ik ze overal gelijk in geef, maar wel dat ik consequent hun perspectief, tempo en leefwereld als leidraad kies.

Wat me ook opviel was dat deze buurt veel ruwer is dan mijn vorige buurt. Dat toonde zich voor mij in taalgebruik, in omgang met elkaar, in agressie en in de diepe laag van armoede die ik tegen kwam. De geschiedenis van deze buurt waar in de jaren '50 gezinnen zijn geplaatst die volgens de gemeente heropgevoed moesten worden heeft zijn sporen nagelaten. Generaties aan families zijn hier opgegroeid en gevormd en dat merk je nog steeds. Een bewoner zei het kernachtig tegen mij: je kunt de jongen wel uit de buurt halen, maar de buurt niet uit de jongen.

De eerste contacten met kinderen en volwassenen ontstonden in de speeltuin. Daar mocht ik aanschuiven bij spelletjes en bij een kopje koffie op een bankje naast de zandbak. Heel natuurlijk hadden we dan een praatje waarbij op een gegeven moment de vraag kwam 'waar spelen jouw kinderen?' Als ik dan zei dat ik aan het werk was en vertelde dat ik buurtpastor was en graag wilde kennismaken vonden volwassenen en kinderen dat voornamelijk leuk. Soms werd er doorgevraagd wat ik dan precies kwam doen, soms werd het voor kennisgeving aangenomen en gingen we verder met het spel of het gesprek. Via gezinnen in de buurt die ik al kende werd ik soms op het spoor gezet van een ander gezin. Door ouders omdat ze dachten dat ze ook wel hulp konden gebruiken of door kinderen omdat het vriendinnen waren en ze bij elkaar over de vloer kwamen, dus mij ook leerden kennen. Kinderen vroegen me tijdens spelletjes weleens hoe oud ik was. Dan deden we een rondje: ik ben 8, ik ben 9, ik ben ook 9 en ik ben 39. Zo, dat was dan weer dat en dan speelden we weer verder.

Als ik in gezinnen betrokken werd bij de problemen van de ouders, stond dat uiteindelijk ook in dienst van de kinderen. Als ouders dreigen om te vallen door stress, ziekte of geldproblemen zijn de kinderen er enorm mee gebaat als die stress verlaagd kan worden en ouders weer wat meer ontspanning krijgen.

Na zo'n 6 maanden raakte ik intensiever betrokken bij een aantal gezinnen. Zowel vanuit de speeltuin als via andere bewoners uit de buurt. Ze betrokken me bij zaken die er speelden in hun leven waar ze hun weg niet in konden vinden. Dat bleken veelal complexe zaken. Thema's die naar voren kwamen, waren:

  • financiën
  • kinderen
  • huiselijk geweld
  • schoolprestaties
  • wel of geen vriend(inn)en hebben en hoe dat werkt
  • criminaliteit
  • gevoel van onveiligheid,
  • ziekte en gezondheid
  • verdriet en rouw
  • dagbesteding
  • verslaving
  • het niet kunnen aansluiten bij de hulpverlening of andere formele instituties
  • nadenken over een vervolgopleiding en je weg vinden in je leven.

Vanuit die verdieping en betrokkenheid bij gezinnen, kwamen er ook weer andere vragen op mij af, zoals de wens om het Nederlands te verbeteren en de vraag van kinderen of ik hen kon helpen met school.

Bereik

Gepland bereik 2015

Gerealiseerd bereik

Toelichting
Kinderen 50-66 40 Het proces verliep trager dan verwacht, vanwege bovengenoemde zaken. Ik merk dat dit proces met golven gaat, opeens gaat er weer een stukje van de buurt open. Daarnaast speelt ook dat bij de gezinnen waar ik intensieve begeleiding bied, de problemen complex en taai zijn en veel tijd vragen, waardoor er minder tijd overblijft voor het opbouwen van nieuwe relaties.
Jongvolwassenen 4
Ouders/Opvoeders 26-34 30
Totaal Kinderen & Ouders/Opvoeders 76-100 74

Ik heb kennis gemaakt en (nauw) samengewerkt met andere werkers in de buurt: Sociaal Makelaars van Stichting Me'kaar, twee wijkagenten, werkers uit het Buurtteam Jeugd en Gezin, jongerenwerkers van Stichting JoU, een intern begeleider, een schoolmaatschappelijk werker, een onderwijzer van een basisschool, en huisartsen, Lister en de GGZ, ten behoeve van een goede samenwerking en afstemming van het werk in de buurt.

Met de Sociaal Makelaars van Stichting Me'kaar van speeltuin de Watergeus heb ik een goede samenwerkingsrelatie opgebouwd. We bespreken het werk, delen onze zorgen over bepaalde gezinnen en we vinden elkaar voor inhoudelijk overleg, of om even te sparren, als we met complexe of spannende zaken bezig zijn. Het is belangrijk en fijn om zulke collega's in de buurt te hebben. Ook ontmoetten we elkaar in het Leefwereldteam waarover u elders kunt lezen.

In een aantal gezinnen heb ik samengewerkt met buurtteamwerkers. Mijn rol was dan vooral om te het perspectief en tempo van de buurtbewoner leidend te laten zijn voor het proces. Dat betekende dat ik probeerde te vertragen in een gesprek of in een proces dat ingegaan was, omdat ik zag dat de bewoner aan het afhaken was. Soms probeerde ik de buurtteammedewerker er juist bij te betrekken als ik zag dat de nood aan de man was. In gesprek met de (oud)wethouder, de gemeente en de teamleiders van de buurtteams proberen we de samenwerking te verbeteren en gaven we tekst en uitleg over onze manier van werken. Dit proces zetten we in 2016 voort.

In januari had ik nog wat kleine dingen af te handelen die te maken hadden met bewoners uit mijn oude buurt. Toen heb ik die bewoners een tijd losgelaten om een duidelijke verandering te markeren. Via Facebook en appjes bleef ik van sommige mensen wel enigszins op de hoogte. Halverwege het jaar werd ik door een bewoner gebeld die een aantal zaken had waar hij bij niemand mee terecht kon. Ik had hem wel overgedragen aan het buurtteam, maar dit waren toch zaken die hij met mij wilde bespreken. Ik heb hem daarin bijgestaan en de bewindvoerder er weer bij getrokken. Ook heb ik hem nogmaals verzekerd dat hij daar de buurtteammedewerker ook voor kon gebruiken. Maar zij kon niet mee naar de afspraak, was zijn antwoord. Door het jaar heen hebben we zo af en toe contact en begint hij ook meer en meer vertrouwen in de medewerker van het buurtteam te krijgen. Eind 2015 meldde hij dat ik hem een goeie vervanger had bezorgd. Nog steeds hebben we af en toe contact voor een gesprekje en voor hoge nood. Voor de praktische zaken vaart hij meer en meer op de buurtteammedewerker.

Er was ook een aantal bewoners dat me voor de zomer ging bellen om te vragen hoe het met me was en hoe mijn nieuwe buurt beviel. Dat vond ik zo verwarmend. De vervolgvraag was vaak wel wanneer ik nu weer eens langskwam en dat het zo ongezellig was zonder mij. En vaak bleek er daarna ook iets te zijn waar ze mij bij vroegen; om mee te denken, om te delen, of om samen te vieren. Het was voor mij een bevestiging van onze relatie.

Tegelijkertijd voelde ik ook aarzeling om hier op in te gaan. Ik was immers in een nieuwe buurt gestart en daar waren fondsen voor geworven, daar was ik een nieuw proces gestart. De buurt trok me echter even een andere kant uit. Dat gebeurt als je relatie-gestuurd werkt. Bovendien is het vaak letterlijk zo dat de bewoner alleen maar mij kan bedenken om te bellen. Omdat ze niet een concrete vraag hebben die ze bij een instantie neer kunnen leggen, ze geen netwerk hebben die iets kunnen opvangen, of omdat ze geen vertrouwen hebben in iemand anders. Omdat de relatie met mij maakt dat ze me überhaupt durven bellen. Dat vertrouwen wilde ik niet beschamen en dus ben ik in gegaan op hun verzoek.

Na de zomer werd ik door een aantal gezinnen aan m'n jasje getrokken omdat er roering ontstond over de nieuwbouw rondom het Queeckhovenplein. Ik ben mee geweest naar de bewonersinformatieavond en heb met bewoners hun wensen en zorgen in kaart gebracht.

Tegen het einde van het jaar werd ik benaderd door een gezin met een appje: Heleen heb je tijd, ik weet echt niet bij wie ik anders terecht kan. Daar bleken grote problemen te bestaan rondom hun uitkering. De gemeente beschuldigde hen van fraude en ondanks het gebrek aan bewijs werd hun uitkering stopgezet. Ik heb hen enerzijds bijgestaan in de enorme stress en frustratie die ontstond en anderzijds praktisch door een aanvraag te doen bij de plaatselijke Parochiële Caritas Instelling. Die aanvraag is door mijn uitgebreide informatie en kennis van dit gezin goedgekeurd, waardoor er even wat lucht kwam. Er zit een goede advocaat op de zaak en het gezin heeft alles onder controle. Het is nu wachten op de bezwaarprocedure en het uithouden in deze moeilijke tijd. Daarover hebben we regelmatig contact.

De gang van zaken rondom de nieuwbouw gaf voor veel bewoners spanning; hoe werkt het nu met reageren; zal ik wel of zal ik niet terug; wanneer komen de woningen op woningnet; waar kom ik terecht, voordat we gaan reageren zouden we toch eerst een gesprek krijgen; waarom kijkt Mitros alleen naar woonduur en niet naar de grote van het gezin? Mitros heeft me in deze periode betrokken bij de gang van zaken door informatie te delen. Ik bracht hen op de hoogte van signalen uit de buurt waar ze blij mee waren, waardoor we goed konden samenwerken ten dienste van de buurtbewoners. Na een periode van rust voor de bewoners kwam er nu weer een periode van spanning en onzekerheid, wat de oude spanning en gevoelens van niet serieus genomen worden door een grote instantie weer deed oplaaien. Omdat ik die hele gang samen met hen gemaakt had de afgelopen vijf jaar, was het natuurlijk om ook bij dit laatste stukje betrokken te zijn.

Een gezin dat vanuit mijn oude buurt naar mijn nieuwe buurt was verhuisd, wilde toch ook graag terug naar de nieuwbouw. Samen hebben we uitgezocht wat de mogelijkheden waren, maar die bleken helaas nihil. In januari 2016 kan er op de nieuwe woningen gereageerd worden en dan zal daarna blijken of iedereen een plekje krijgt. Wordt vervolgd.

 
 
*